19 maart 2014
De veertigdagentijd nodigt ons ook uit om onze broeders en zusters oprecht lief te hebben. Dat betekent dat de noden van wie dichtbij of veraf leven ons ter harte gaan. Het geeft hartpijn als een christen lijdt, het doet eveneens pijn als we er niets aan doen! In deze bijdrage pikken wij de draad weer op in de voorstelling van de visie van onze hulpbisschop, Mgr. Lemmens voor de werking van de zones. We hadden het vorige keer over het ‘sacrament van de zondag’, nu het derde inhoudelijke ijkpunt van de zonewerking: het ‘sacrament van de armen’.
Wanneer Jezus zijn openbaar leven aanvat zegt Hij in de synagoge: ‘De Geest van de Heer rust op Mij, want Hij heeft Mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen, heeft Hij Mij gezonden, om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden het herstel van hun zicht, om onderdrukten hun vrijheid te geven, om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’(Lucas 4, 16-19). Deze passage verwoordt hoe Jezus zijn eigen zending, en daarmee ook de onze, begrijpt. Het gaat erom de Blijde Boodschap te brengen en aan wie kunnen we dat beter doen dan aan wie niet blij zijn? Dezelfde Geest die Jezus heeft ontvangen om de Blijde Boodschap te brengen, hebben wij ontvangen in ons doopsel en in ons vormsel. Ook wij zijn gezonden om het evangelie vlees en bloed te laten worden in de samenleving waarvan wij deel uitmaken. We kunnen best naar Jezus kijken en zien hoe Hij het deed om op onze beurt deze taak op te nemen. Jezus gaat de arme, verdrukte, niet-blije mens van zijn tijd niet uit de weg, integendeel! Hij zoekt hem of haar op, eet met hen, geneest hen, wekt hen op… Hij wordt hun vreugde. De Blijde Boodschap verkondigen, evangeliseren, is niet alleen spreken, het is ook doen. We horen het onszelf al zeggen: ‘Dat kunnen wij niet, wij zijn Jezus niet!’ Maar is dat geen excuus? Hebben wij in ons doopsel in ons vormsel niet dezelfde Geest ontvangen? En rust hij niet op ons opdat wij in deze wereld in deze tijd zouden doen wat H Jezus heeft gedaan en na Hem zijn apostelen en na hen generaties die de Blijde Boodschap in woord en in daad hebben verkondigd. Hebben wij zelf het evangelie ook niet ontvangen en erin geloofd omdat degenen die het ons verkondigden geloofwaardig waren?
Die geloofwaardigheid van onze roeping en zending, daar gaat het om. Wat wij vieren op zondag, het geloof dat wij belijden mag niet zonder gevolgen blijven. De beste toets om de geloofwaardigheid van ons geloven te meten is: worden de mensen die ons ontmoeten ook effectief blij? We kunnen het ons gemakkelijk maken door ons te beperken tot de ‘sympathisanten’, tot hen die wij kennen en van wie we zeker zijn dat ze onze daadwerkelijke hulp of de steun van ons geloof niet nodig hebben. Maar dat maakt ons, ook binnen die eigenste kring, niet geloofwaardig en nog minder de Blijde Boodschap. We kunnen, zoals Jezus, ook actief op zoek gaan naar wie wij leven kunnen geven door onze aandacht, ons gebed en onze daadwerkelijke hulp. Acties als Welzijnszorg en Broederlijk Delen en nog vele andere nodigen ons daartoe ook uit en daarop ingaan maakt al een heel verschil. Het zou echter een tweede natuur van de christen moeten zijn om steeds bereid te zijn tot hulp aan wie in nood is, veraf en dichtbij. Alleen dan kunnen wij ons oprecht broeders en zusters van elkaar noemen, kinderen van dezelfde Vader, bezield door dezelfde Geest die in Jezus was.