‘Ontwaak, slaper!’

22 maart 2017

Categorie: default - Reageer

Ontwaak, slaper

De apostel Paulus verwijst naar een hymne die zingt: ‘Ontwaak, slaper, sta op uit de dood en Christus’ licht zal over u stralen’ om aan te geven wat het betekent christen te zijn. Als gedoopten zijn wij kinderen van het licht, bevrijd door het licht van Christus, behoren wij niet aan de duisternis en niet aan de allerdonkerste duisternis, de dood.

Dat Christus het licht is, daarvan getuigt de blindgeborene in het evangelie. Hij wordt door Jezus letterlijk uit de duisternis verlost. Hij ziet en hij gelooft in de Mensenzoon. De Farizeeën zien het niet en vragen zich vertwijfeld af: ‘Zijn wij soms blind?’. Ja, ze zijn blind voor het nieuwe leven dat God in zijn Zoon schenkt. Ze blijven liever in de duisternis van hun eigen beeld van God.

Maar ‘God ziet niet zoals een mens ziet; een mens kijkt naar het uiterlijk, maar de Heer naar het hart’. Dat horen wij in de eerste lezing van de vierde zondag van de veertigdagen. De farizeeën kennen deze tekst en toch blijven ze met de menselijke, beperkte blik kijken. Ze zien zondigheid, maar geen hartelijkheid. Ze zijn blind.

Omdat God anders ziet, verkiest Hij de jongste zoon, David de schaapherder, boven zijn broers die alle zeven in menselijk opzicht meer in aanmerking komen voor het koningschap. Een roekeloze beslissing van God op het eerste zicht, maar Hij ziet naar het hart en Hij izet dus meer en vooral waar het op aankomt. De andere broers bezitten ongetwijfeld vele kwaliteiten die het volk ten goede kunnen komen, maar God zoet een andere kwaliteit: de nederigheid om in dienst van de Heer te staan, aan Hem te gehoorzamen en niet aan zichzelf of de anderen.

Koning David zal de voorafbeelding vormen van dé Koning der Joden, van Jezus de Christus, van Gods eengeboren Zoon. Jezus zal totaal gehoorzamen aan de wil van zijn Vader en juist daarom zijn leven geven voor de schapen, alle schapen, ook de verdwaalden, ook de schapen die door de farizeeën van toen en van nu niet gezien worden, niet geteld, niet bemind. Vandaar dat wij de antwoordpsalm kunnen zingen, psalm 23, ‘De Heer is mijn herder, niets kom ik tekort.’

Kind van het licht zijn, betekent dan ook dat wij door God gezien en bemind zijn, maar ook dat wij op onze beurt onze medemens, onze broeders en zusters in het licht zetten, dat van Christus. In ons doopsel ontvingen wij het licht van Christus om zelf licht te worden. We ontvingen een doopkaars om zelf een kaars te zijn. In dat licht kunnen en willen wij niet in slaap vallen. Wij zijn geen slapers, wij zijn opgestaan in het doopsel om nooit meer te gaan liggen.

 

Reageer

velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.

wordt niet getoond