18 maart 2015
We willen allemaal leven en liefst zo gelukkig mogelijk. We houden ons vast, vaak krampachtig aan elk halmpje leven dat we ontvangen. Dat wij leven en nog wel in overvloed is ook wat God wil. Daartoe heeft Hij ons geschapen en daartoe blijft Hij bij ons, zelfs over de dood heen schenkt Hij ons leven. En toch hebben wij het moeilijk om dat te geloven, precies de kern van ons geloof maakt het ons zo moeilijk. Het is bijna te mooi om waar te zijn, denken we dan en we geven ons liever over aan de twijfel en klampen ons vast aan de povere zekerheden die we hebben, ook als ze weinig leven en geluk in zich dragen! We zijn zo graag zeker.
Jezus zegt deze zondag: ‘Wie zijn leven bemint, verliest het; maar wie zijn leven in deze wereld haat, zal het ten eeuwigen leven bewaren.’ Dat zinnetje vat ons verlangen en twijfel goed samen. We willen ons leven juist wel beminnen en liefst voor altijd… hoe kunnen wij eeuwig leven ontvangen en het nu al beminnen? Dat is onze vraag. Het antwoord van Jezus is misschien te duidelijk voor ons… en toch is het precies dit zinnetje dat iemand van bij ons zo geraakt heeft dat hij alles in dit leven heeft achtergelaten om het in Molokaï te midden van de melaatsen, de levende doden, te vinden! Inderdaad, Jozef De Veuster heeft tijdens een retraite dit zinnetje ontvangen als een levensles, als een woord van de Heer, als een uitnodiging om het leven te vinden. Hij die nochtans andere plannen had, andere verwachtingen en andere mogelijkheden; Zijn vader zag in hem de opvolger van zijn zaak en liet zoon Jozef daarom studeren. Maar juist tijdens die studie ontvangt hij dat raadselachtige zinnetje dat alle plannen, die van zijn vader en de zijne, op hun kop zetten. Jezus heeft iets voor met Jozef De Veuster: eeuwig leven!
Als Jozef De Veuster met die boodschap thuiskomt, is het huis te klein natuurlijk. Het gezin heeft al een zoon die ingetreden is bij de paters Picpussen in Leuven en al twee dochters die religieuze zijn geworden. Jozef ook nog, dat is te veel en bovendien niet nodig. Hij is meer nodig in het gezin en de plannen voor de toekomst van de familie. Toch drijft Jozef De Veuster door. Hij treedt in bij de paters Picpussen in Leuven. daar ziet men al onmiddellijk niet veel in hem want in tegenstelling tot zijn broer is Jozef die inmiddels Damiaan heet niet erg intelligent. Hij dreigt een dot leven in de congregatie te vinden. Maar dat is buiten de koppige Damiaan gerekend. Hij wil priester worden en zal tot het uiterste toe zich hiervoor inspannen. Als de voorzienigheid er dan nog voor zorgt dat hij in de plaats van zijn ziek geworden broer naar de missie vertrekt, is de hand van de Heer duidelijk. Damiaan moet leven vinden door het te verliezen. Niet in de verwachtingen van hemzelf of die van zijn ouders, niet in de verwachtingen van zijn religieuze oversten, maar in de verwachtingen van God.
Damiaan neemt afscheid van zijn moeder en van zijn thuisland wanneer hij op bedevaart in Scherpenheuvel bidt om een goede missionaris te mogen worden. Hij zal zijn leven verliezen door melaats te worden met de melaatsen en tegelijk zal hij het leven vinden dat God met hem voorheeft: het eeuwig leven. Hij heeft de zoete smaak van die belofte al geproefd wanneer hij met Gods lievelingen en tegelijk de verstotelingen van de mensen bezig is. Liefdevol als de Goede Herder omhelst hij hen, deelt hij hun ‘ten dode opgeschreven leven’ en ziet hij in hun ogen de blik van Christus, de gever van het eeuwig leven.
Het kan dus en hoe! Het kan zelf bij iemand dichtbij ons. Het kan misschien ook in ons leven?