7 september 2016
Onophoudelijk danken
De apostel Paulus spoort de christenen van zijn gemeenschappen aan om God onophoudelijk dank te zeggen. Een oproep die ook voor de gemeenschappen nu bestemd is. God danken voor alles wat Hij ons geeft, ons leven, heel de schepping, zijn aanwezigheid, zijn barmhartigheid, zijn grenzeloze liefde, zijn Zoon, onze medemens… en dat alles in verleden, heden en toekomst! God danken is concreet en niet vaag. Zoals elk danken dat is. ‘Ik dank u voor alles’, kan heel oprecht bedoeld zijn, maar wat is ‘alles’? De dankbaarheid die we elkaar (vaak te weinig) betonen, is concreet of anders is ze vaag en draagt ze niet. Maar als we elkaar niet meer danken, vervaagt ook de reden van onze dankbaarheid. ‘Waarom moet ik u dankbaar zijn?’. Alles wordt dan evident, vanzelfsprekend. Alles, dus ook de liefde die nooit evident is.
Zo gaat het ook met onze dankbaarheid jegens God. We zijn Hem voor alles dankbaar, maar stellen ons te weinig de vraag wat dat ‘alles’ voor ons betekent. Waarvoor ben ik God echt dankbaar? Als we daarop geen antwoord kunnen geven, zijn God en zijn gulle gaven ook evident, vanzelfsprekend geworden. En dat verdraagt God niet!
Als we eucharistie vieren, zijn volop God aan het danken. Het woord ‘eucharistie’ betekent trouwens letter: danken, goed danken. De eucharistie herinnert in lezingen en gebeden aan de redenen waarom we God goed danken. Zijn weldaden in verleden, heden en zelfs al vooruitgrijpend naar de toekomst, worden uitvoerig in herinnering gebracht, benoemd, opgeroepen. En terwijl wij dat doen, leggen wij Hem onze verlangens voor in smeekgebed, voorbede, persoonlijk gebed. Immers, God die al zoveel weldaden heeft getoond, is geloofwaardig om mijn noden van nu aan Hem toe te vertrouwen. Eucharistie vieren is dankzeggen met alle registers open en het mooiste register is Jezus Christus. Hij zegt mee dank in de eucharistie. De zuiverste dank die kan klinken en Hij neemt de onze mee in dat heerlijke danklied.
We kunnen niet genoeg nagaan wat God allemaal voor ons doet en we kunnen Hm niet genoeg danken. Dit ‘onophoudelijke danken’ heeft de Kerk van in den beginne gedaan. In het spoor van de Joodse liturgie in de synagoge, heeft de jonge Kerk God geloofd en gedankt in morgen, middag en avondgebed en ook ’s nachts. De oproep van Paulus linkt trouwens door in andere vroeg-christelijke geschriften als een uitdrukking van oprechte godsdienstigheid. Dit danken van God de hele dag en zelfs nacht door is tevens het heiligen van de tijd. Danken en bidden opdat onze tijd, geheiligd zou worden tot heilstijd. Smeken dat God onze tijd zegent, geneest, heelt opdat het ook zijn tijd zou worden. Hieruit is het Getijdengebed ontstaan wat later het bidden van het brevier is geworden. Aanvankelijk werden deze momenten van heiliging van de dag gevierd door alle gelovigen in de kathedraln, samen met de bisschop en de diakens. Later werd dit gebed uitgebreid en omwille van de, ondertussen voor het volk onverstaanbare Latijnse taal, een specialiteit van priesters en religieuzen. De gelovigen hebben de getijden echter nog een hele tijd op een volkse manier gebeden, nl. In het bidden van het Angelusgebed ’s morgens, ’s middags en ’s avonds. Dit gebed heeft trouwens de bestanddelen van het officiële getijdengebed met twee psalmen en een lofzang, verkondiging van de menswording, lijden, dood en verrijzenis van Christus. En ook het rozenkransgebed met zijn drie maal vijf maal tien maal weesgegroeten (samen 150, het aantal psalmen die gebeden worden in het getijdengebed) is een volkse invulling van het grote gebed van de Kerk.
Het Tweede Vaticaans Concilie heeft meer dan vijftig jaar geleden gevraagd om het getijdengebed terug te geven aan alle gedoopten. Daar is hier en daar werk van gemaakt, maar niet echt veel. Behalve in abdijen en kloostergemeenschappen, kunnen gelovigen maar weinig meebidden met het gebed van de hele Kerk. Vanaf zondag 11 september gaan we een aanzet geven om iedereen te betrekken in het mooie zondagavondgebed van de Kerk, de vespers op zondag. De gemeenschap van de oratorianen in oprichting in Scherpenheuvel zal voorgaan in het zingend bidden van de vespers. Iedereen is van harte welkom om mee te bidden, om te danken. Want danken heeft ook iets gratuits, het kost niet en heeft geen onmiddellijk nut. Het is als een ruiker bloemen die je schenkt. De ontvanger zegt dan ook vaak: ‘Dat had echt niet gemoeten!’ Inderdaad, en daarom is het ook een oprechte uiting van dankbaarheid. Het moet niet, het mag. Een gebed dat gezongen wordt ‘omdat het mag en niet moet’, doet deugd aan het hart van God en dat van de mensen.