14 januari 2015
Zondag 11 januari vieren wij het feest van het doopsel van Christus door Johannes de Doper in de Jordaan. Daarmee eindigt dan de kersttijd, maar niet de openbaringstijd want die duurt nog tot aan het feest van de Opdracht van de Heer (Maria Lichtmis) op 2 februari. En eigenlijk duurt de openbaringstijd het hele jaar lang, immers zondag na zondag, dag na dag toont Jezus zich als de Redder en Verlosser van allen die Hem ontmoeten.
Maar nu dus het Doopsel van Christus. De liturgie van deze zondag geeft krachtig en aantrekkelijk de betekenis weer van het Doopsel van Christus, maar ook van dat van ons! We zetten die elementen op een rijtje zodat we eens kunnen nagaan hoe het met ons doopsel en de genade ervan gesteld is in ons leven. Leven vanuit ons doopsel is een gave en een opgave, maar het is wel Leven met een hoofdletter en voluit leven willen we toch allemaal?
In de eerste lezing geeft de profeet Jesaja de toon aan: ‘Komt naar het water, gij allen die dorst lijdt! Geniet zonder geld en zonder te betalen.’ Wie dorst heeft, wil drinken natuurlijk. Wie dorst heeft naar het leven, wil dat leven ontvangen natuurlijk! Maar onze dorst naar leven wordt vaak herleid tot een zucht naar geld, rijkdom, macht. Wie een beetje in het leven staat, ondervindt dat daarin niet echt leven zit. Het leven dat God ons wil geven is echter gratis. Ons doopsel en de genade ervan ontvangen wij gratis. Gods liefde in de volle maat is niet te koop en trouwens met geen geld ter wereld te betalen. Het is vroeger wel geprobeerd om de genade te koop aan te bieden, het bracht bovendien veel geld op, maar het heeft de mensen en de Kerk niet gelukkiger gemaakt… integendeel!
De tweede lezing uit de eerste brief van de apostel Johannes geeft ook een belangrijk effect van ons doopsel: ‘Iedereen die gelooft dat Jezus de verlosser is, is een kind van God. Welnu, wie de vader liefheeft, bemint ook het kind.’ Het geschenk van ons doopsel, de genade, Gods liefde die wij gratis hebben ontvangen, verbinden ons niet alleen met God, maar ook met elkaar. We kunnen niet God eren en liefhebben en tegelijk ons medemens niet! Ons doopsel heeft ons met God verbonden als kind van de Vader en met elkaar als kinderen van dezelfde Vader, broeders en zusters dus. En die dubbele band is de liefde, de Liefde. Opnieuw heeft dit niets met geld of macht of kennis te maken, maar met de gezindheid van ons hart. Een hart dat door God gevuld is met liefde en dat overloopt van liefde voor alle kinderen van God. Ons doopsel maakt ons tot familie van elkaar, tot kerk van God.
Het evangelie verhaalt het doopsel van Jezus in de Jordaan: ‘Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde; in U heb Ik welbehagen.’ Dat is wat de stem van de Vader over de Zoon zei, toen in de Jordaan. Dat is wat God nog altijd zegt over ieder van ons. In ons doopsel heet de Vader ons als zijn veelgeliefde zoon, dochter aangenomen en Hij is er zelf blij mee, wij doen Hem deugd, Hij heeft welbehagen in ons! We ontvangen met ons doopsel Gods liefde en tegelijk geven wij Hem diepe vreugde! Zoals een pasgeboren kindje ons blij maakt, zo maken wij God blij. Sterk is dat toch! Dat is wat het doopsel in de heilige Geest doet met ons: blij maken.
Iedere keer als wij eucharistie vieren, doen wij dat als gedoopten, als kinderen van God, als broeders en zusters van elkaar, als blije mensen die God en mekaar blij maken. Om dat niet te vergeten maken wij een kruisteken met doopwater wanneer wij het kerkgebouw betreden. We betreden immers geen gebouw louter van steen, maar een gemeenschap, onze familie, de Kerk.