12 maart 2014
De zondagen in deze Veertigdagentijd bereiden ons voor op de hernieuwing van onze doopbeloften met Pasen. Het is een uitgelezen tijd om ons te bezinnen over de betekenis van ons doopsel. De realiteit waarin wij leven met zijn hoogtes en zijn laagtes brengt ons niet steeds dichter bij God. De eerste lezing van de derde zondag is herkenbaar. Het volk van God begint onderweg te morren en te klagen. De verwijten aan Mozes die hen uit Egypte heeft geleid laten er geen twijfel over bestaan. Het volk zit in de woestijn en heeft dorst. Ze zien het allemaal niet meer zitten. Het enthousiasme van het begin van de uittocht, toen ze zich sterk waanden en gedragen door God, is zoek. En hun geloof is verschraald tot de kreet: ‘Is de Heer nu bij ons of niet?’ Voorwaar herkenbaar. In ons leven klinkt die vraag ook, in ons samenleven als kerkgemeenschap klinkt ze zelfs nog luider. Het antwoord dat wij geven is vaak negatief of flauw. En toch geeft God te drinken, het water uit de rots toont zijn aanwezigheid. Hij laat zich niet leiden door het ongenoegen, het geklaag en het ongeloof van het volk. Toen niet en nu ook niet: Hij is bij ons en Hij blijft bij ons. Dat is zijn naam: ‘Ik ben die is’.
Het water dat Jezus te drinken geeft aan de Samaritaanse lest niet alleen de dorst, het maakt nieuw, het geeft leven zonder dorst. Dat water wil de vrouw drinken, ook al is zij een Samaritaanse en wordt zij buitengesloten uit de kring van het Godsvolk. Jezus opent zijn hart voor haar en plaatst haar midden in de kring van de leerlingen. Zij verlangt naar het levende water, zij verlangt naar Jezus, zij gelooft. En het geloof maakt vrij, opent ons voor Gods liefde en doet ons leven in liefde, Paulus samenvattend. Wat een contrast met het klagende volk!
Het water van ons doopsel is het levengevende water dat Jezus ons te drinken geeft. Het toont ons Gods nabijheid en trouw. Telkens wij een kruisteken maken bij het binnenkomen van het kerkgebouw, dopen wij onze hand in het water van ons doopsel, het water dat Jezus geeft. Terwijl wij het kruisteken maken, belijden wij het geloof dat wij in ons doopsel hebben ontvangen. Wie we ook zijn, wat we ook doen: tevreden zijn of klagen, Het levengevende water stroomt we mogen ervan drinken.