Geef mij te drinken

15 maart 2017

Categorie: default - Reageer

‘Geef Mij te drinken’

In de liturgie van de derde zondag van de veertigdagen mogen wij opnieuw een elemnt van ons doopsel ontdekken. Het levende water dat Jezus te drinken geeft en dat in ons opborrelt tot eeuwig leven. Inderdaad het water waarin we gedoopt zijn, verbindt ons met het begin, toen Gods Geest over de wateren ging en alles tot leven riep. Het resultaat was het paradijs en het paradijselijke leven voor mens en dier. Jezus, de gezalfde Gods, schenkt ons dit paradijselijke leven opnieuw. Het water dat Hij ons te drinken geeft, neemt alle dorst weg en schenkt nieuw en eeuwig leven. Het is niet het resultaat van het morren en klagen van de Israëlieten in de eerste lezing die, hoewel God hen te drinken geeft, toch dorst blijven krijgen. Neen, het water dat Jezus geeft is God zelf die in ons komt wonen en die wij sedert ons doopsel als een tempel van de Heilige Geest dragen, dienen, aanbidden en tonen. Niet veraf, maar heel dichtbij!

In het evangelie toont Jezus hoe Hij een geloofsgesprek voert. Hij begint een gesprek met iemand met een Samaritaanse. Een Jood die met een heiden spreekt: volgens de Joodse wet strikt verboden, volgens Jezus strikt noodzakelijk! Hij breekt de menselijke barrières die grenzen trekken en ontmoetingen onmogelijk maken, die met mensen en die met God. Terwijl zijn leerlingen de stad in zijn gegaan om levensmiddelen te verkopen, vraagt Jezus aan de vrouw: ‘Geef Mij te drinken.’ De bron is er, de dorst eveneens, de goodwil eveneens, alleen de wet staat in de weg. Het gesprek begint dus met een discussie. de vrouw kent de regels en wijst Jezus daarop. Ze weet wie ze is, wie ze ‘slechts’ is volgens de Joodse wet en ze blijft op haar plaats. De grenzen worden gerespecteerd, die van de mensen. Maar hier is God die contact zoekt. Het gaat niet om een gewone ontmoeting met een banaal gesprek. het gaat om een godsontmoeting en om nieuw leven. De oude wet heeft dus afgedaan. Die maakt dergelijke ontmoetingen onmogelijk.

De rollen worden omgedraaid. Jezus heeft iets te bieden dat groter is dan de wet en groter dan de waterbron: Hij biedt zichzelf aan. ‘Wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer.’ Nu is het de beurt aan de vrouw om water te vragen: ‘’Heer, geeft mij van dat water.’

Dan volgt een gesprek waaruit blijkt dat Jezus de vrouw door en door kent. Ook wat ze verborgen houdt, kent Hij en toch blijft Hij in gesprek. De goodwil blijft en wordt gaandeweg geloof. De heidense vrouw die bovendien een zondares is, door de wet veroordeeld, wordt door Jezus gered.

Na deze merkwaardige ontmoeting gaat ook de vrouw naar de stad, niet om levensmiddelen te kopen want dorst krijgt ze niet meer, maar om te verkondigen, om het geloof dat ze in Jezus heeft ontvangen te zaaien. De vrouw wordt zelf een opborrelende bron van levend water voor wie haar ontmoet. Er kwamen velen tot geloof door haar getuigenis en nog meer door de ontmoeting met de Messias.

Dit geloofsgesprek wil Jezus met ieder van ons voeren. Wij allen mogen in het Woord van de Heer de bron voelen opborrelen die Hij in ons doopsel uit de rots heeft geslagen. Wij allen worden ook gezonden om elkaar te drinken te geven van dat levende water.

Evangeliseren is in onze tijd, zoals in iedere tijd, een kwestie van geven van wat we zelf hebben ontvangen: geloof in de Redder van de wereld.

Straks zal Jezus nog eens te drinken vragen, Hij hangt dan op het kruis. Allen die Hij levend water heeft gegeven zullen dan afwezig zijn, bewust en onbewust, maar duidelijk afwezig. Een soldaat zal Hem te drinken geven: zure wijn die met het Leven spot en die de dood voorbereid. Wat geven wij als Jezus ons te drinken vraagt in de kreet van ieder mens in nood?

 

Reageer

velden gemarkeerd met een sterretje zijn verplicht.

wordt niet getoond