17 februari 2016
Exodus – uittocht
De oudtestamentische lezingen van de veertigdagentijd gaan over de exodus, de uittocht van het Godsvolk uit de slavernij van Egypte naar het beloofde land. Voor de Israëlieten een beslissend moment, niet alleen op sociaal vlak, ook op religieus gebied. De veertig jaar in de woestijn is een diepe religieuze ervaring van Gods nabijheid. Met vallen en opstaan ervaart het Godsvolk dat de Heer hun God trouw is en dat zijn verbond waarachtig is.
Ze hebben het voorbeeld van de aartsvader Abraham, die ook wegtrekt uit het bekende land om Gods land te betreden. Ook voor Abraham en zijn vrouw Sarah, is het een wegtrekken uit een land dat geen toekomst biedt naar het land van Gods belofte. Het gaat dan eerder om een volk dan om een land. Abraham is kinderloos en wanhopig. Hij heeft geen toekomst, hij zal sterven en niet blijven verder leven in zijn nageslacht. God redt hem uit die uitzichtloze situatie door hem een zoon te schenken, Isaak, en hem een nageslacht te beloven dat talrijker is dan de zandkorrels van het strand. Wat een verschil tussen niets en alles! Van Abraham wordt enkel geloof verwacht. Geloof in Gods woord en gehoorzaamheid hieraan. Ook Abraham komt met vallen en opstaan tot dat geloof, maar te midden van beproevingen ervaart Hij Gods nabijheid en gelooft hij in Gods trouw.
Mozes wordt opgedragen om het volk uit Egypte weg te voeren naar het beloofde land. Tussen de slavernij van Egypte en de beloofde overvloed van een land van melk en honing ligt de woestijn. Het verschil tussen niets en alles is groot, de weg er naartoe is echter een beproeving voor het Godsvolk. Mozes heeft de grootste moeite om te midden van ontbering en bekoringen het volk op Gods spoor te houden. En toch ervaart ook nu het volk Gods nabijheid. Zelfs wanneer zij zich afwenden van God, dan nog blijft Hij trouw en toont Hij hun zijn aanwezigheid.
Wij gaan de veertig dagen op naar Pasen. Het Pasen van de Heer in zijn overgang van dood naar leven, maar ook ons eigen Pasen. Wij gaan de tocht van de dood door de zonde, naar het leven door de verzoening. Ook voor ons is het een exodus, een uittocht. Wij worden uitgenodigd om, met de geschiedenis van heil voor ogen en de belofte van Christus op eeuwig leven, de heilloze paden te verlaten en op weg te gaan naar het beloofde land. Nu is het niet alleen een volk en een plaats, maar ook het leven zelf. De zonde vervreemdt ons van onszelf, van wie wij in Gods ogen zijn, maar ook van elkaar en van God zelf. Wie in zonde is, heeft eigenlijk geen leven meer. We kunnen ons dan opsluiten in ons schuldbesef zonder de deur weg uit die cel te zien. We kunnen onze fouten ook wegwijven, ervan vluchten, ze minimaliseren, maar ons hart blijft onvrij en de sleutel van onze celdeur verloren. Christus toont ons de deur. Hij is ze zelf. Geen ondoordringbare stalen deur, maar een hart vol barmhartigheid waar we door kunnen gaan om ‘weide te vinden’, overvloedig en eeuwig leven.
Ons luisteren naar het Woord Gods in de veertigdagentijd helpt ons om ons geloof ernstig te nemen. Om ons bewust te worden van de nood aan redding, verlossing en nieuw leven. Allemaal dragen wij op een of andere manier de wanhoop, de dood, de slavernij in ons leven en we gaan eronder gebukt. Zoals toen en zoals altijd, willen wij vandaag gered worden. Zoals aan Abraham, aan Mozes en aan het hele Godsvolk, spreekt ook nu de Heer zijn woord van verbond, van redding en gaat Hij met ons mee. Aan ons om voor Hem te kiezen en Hij maakt het ons niet moeilijk want Hij kiest al lang voor ons. God neemt de mens ernstig en een klein beetje geloof van onze kant is al genoeg voor Hem om ons te tonen hoe nabij Hij is. Hij maakt het ons gemakkelijk, het zijn wij die het onszelf, anderen en God moeilijk maken