8 maart 2017
Een groot volk
Het valt me op hoe ieder volk, in elke tijd – en dus ook in de huidige -, zichzelf op de een of andere manier ‘groot’ vindt. Groot omwille van economische kracht; letterlijk groot in oppervlakte; groot omwille van een rijke cultuur; groot omwille van een roemrijk verleden; groot omwille van een machtig leger; groot omdat het een talrijke bevolking heeft… Ieder volk heeft wel een reden om zich groot te voelen of voor te doen. Soms lijkt het op ‘grootheidswaanzin’ omdat het zo opgeschroefd wordt en verdedigd dat men ervoor over lijken zou lopen. Erg genoeg gebeurt dat dan ook! Wat een mens er al niet voor over heeft om groot te zijn als individu en als collectief. Maria zong in haar Magnificat dat de groten, de machtigen, de trotsen zullen vallen en dat de kleinen verheven worden. Daarmee wordt het evangelie geopend en is de toon gezet. De toon van het Magnificat is de toon van het Godsvolk, van iedere christen: een toontje lager zingen als het over onszelf gaat, een toon hoger als het over God gaat!
De lezingen van de tweede zondag in de veertigdagentijd zingen over hoe God ons groot maakt, als zijn geliefd kind en als zijn geliefd volk. Zoals Abram worden ook wij weggeroepen uit het eigen land, de eigen stam en familie om te behoren tot het Godsvolk dat groot zal zijn en één en al zegen. Abram, de vader in het geloof, geeft zich over aan God en hij zal de vruchtbaarheid die God geeft ook ervaren. Hij die zelf onvruchtbaar was, wordt vader van het Godsvolk dat talrijker wordt dan de zandkorrels van het strand. Neen, die grootheid zou Abram met de beste wil van de wereld niet kunnen verwezenlijken en ook zijn land, stam en familie niet. God geeft die vruchtbaarheid, Hij zegent en maakt groot. Maria zal als eerste gelovige van het nieuwe verbond dit ook ervaren. Dat is geloof! Het geloof van ons doopsel toen wij lid zijn geworden van het grote volk van de Heer. Dat is de Kerk wezenlijk, niet groot omdat ze dat in de ogen van de wereld is, maar groot omdat ze door God gezegend is met een vruchtbaarheid die van Hem komt, niet van ons.
Het evangelie gunt ons een blik op de verheerlijkte Heer in stralend wit gewaad op de berg Tabor. De leerlingen die het zien, zijn er vol van. Tegelijk krijgen we een blik op onszelf, zoals God ons ziet. Het witte kleed van ons doopsel drukt die heerlijkheid uit. Wij zijn die stralende mensen in wie God welbehagen heeft. Wie wegtrekt en alles achterlaat om zoals Abram groot te worden bij God, die straalt en is heerlijk om te zien en te horen. Dat wordt van Jezus gezegd en van allen die in Hem zijn gedoopt.
Paulus is zo sterk doordrongen van die nieuwe werkelijkheid in Christus, dat Hij spreekt van de heilige roeping van iedere christen. Niet op eigen verdiensten, maar door de genade die wij ontvangen hebben in ons doopsel. Die genade is zo groot dat lijden en dood geen vat meer op ons hebben. We worden er niet door bepaald. Er is een werkelijkheid die groter is. Wij behoren door ons doopsel tot het grote volk van God, de nieuwe familie van broeders en zusters verspreid over de hele wereld. Groot in de Liefde.