15 april 2017
Alleluia!
Vijftig dagen lang, en eigenlijk het hele jaar door, zullen de ‘Alleluia’s’ niet uit de lucht zijn in de liturgie. We zingen het uit in alle toonaarden: Christus is verrezen, Alleluia!
Waarom zou de liturgie zo overdrijven? Omdat ze uitdrukking geeft aan onze verwondering en wie verwonderd is, overdrijft.
Misschien is het probleem van christenen in onze lage landen dat we té weinig verwonderd zijn over de verrijzenis van Christus en over onze eigen verrijzenis. Het behoort nochtans tot de kern van ons geloof en tot het wezen van ons gedoopt-zijn. Als we ons daarover niet verwonderen, moeten we ons afvragen of ons geloof nog wel kracht heeft. Misschien verwonderen we ons te weinig omdat we menen dat we alles al gezien en meegemaakt hebben, de zogenaamde ervaring? Uitgebluste mensen blikken terug en stellen vast dat het allemaal niet zo veel voorstelt als ze gehoopt hadden. Ze laten het hoofd zakken, de moed ook en de hoop is vervlogen. Ze leven hooguit van moment tot moment en zeggen steevast: ‘We zien wel’, maar verwachten doen ze niet meer, ze kunnen het niet meer want ze zijn niet meer verwonderd over wat er in en om hen gebeurt.
Hoe kan zo’n nefaste houding doorbroken worden? Als er nieuw leven komt ondanks alles. Kijk maar eens wat er in een gezin, in een familie gebeurt aan verwondering als een kindje verwacht wordt, als een kindje geboren wordt. Dan verdwijnt alle cynisme en maakt plaats voor…verwondering. ‘Hoe is het mogelijk, zo’n wonder dat in mijn armen ligt?’ vragen we ons af en de muur van onze onversschilligheid wordt doorbroken. Geen pillen, geen psychiaters, geen enkele munitie heeft het gekund, maar dit kind dat weerloos en zonder stem aan ons hart drukt, heeft het gekund!
Gevoelige mensen merken dat in vele dingen om hen heen: in de dorre takken die op enkele dagen tijd groene blaadjes en heerlijke bloesems krijgen. Een tijdje geleden leek het alleen maar op dood en nu plots ontstuitbaar leven. Het kan ons ook overkomen bij problemen, uitzichtloze situaties, die opeens een andere wending krijgen omdat een klein straaltje licht de duisternis heeft verdreven. Een straal zon doet wonderen en doorbreekt het plafond van een dik wolkendek dat dreigend over ons ligt, over ons gemoed, over ons leven.
De steen is van het graf weggerold, dat van Christus en dat van ons. De dood is gebroken, ze heeft geen macht meer over ons. Het lijden, onrecht, verraad, verloochening, alles wat Jezus heeft beleefd en wij met Hem, het is op het kruis tenietgedaan. Het heeft geen vat meer, geen betekenis; de verrijzenis des te meer.
Als we Pasen vieren, de verrijzenis en het eeuwig leven van Christus, vieren we ook ons eigen Pasen. Aan datzelfde kruis heeft Christus voor ieder van ons de macht van lijden en dood gebroken. We kunnen nog wel lijden en sterven, dat is zeker, maar het heeft niet meer het laatste woord. Neen, dat heeft God en Hij heeft het in zijn Zoon getoond. Geen woorden, maar daden en dat geldt voor ieder van ons. Wij hebben in ons doopsel het witte kleed van de verrezen Heer aangetrokken. We hebben in de Paasnacht het opnieuw beleden en zijn met het doopwater opnieuw besprenkeld. We leven, Leven, met een hoofdletter. Wie zich daarover niet kan verwonderen heeft van het kruis en het lege graf niets begrepen.
De liturgie geeft klank aan onze verwondering, ze tilt ons op, helpt ons om de verlammende wanhoop te overstijgen. Ze overdrijft daarin opdat wij opgetild zouden kunnen worden. Gierige liturgie is voor gierige gelovigen. Daarom Alleluia in alle toonaarden totdat wij het voelen in ons eigen leven: ik ben opgestaan om niet meer te vallen.
Door Hervé 03/10/26 (9 jaren geleden)
re: Alleluia!
[Jezus zei:] ‘Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen.
Een huurling, iemand die geen herder is, en die niet de eigenaar van de schapen is, laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht zodra hij een wolf ziet aankomen.
De wolf valt de kudde aan en jaagt de schapen uiteen; de man is een huurling en de schapen kunnen hem niets schelen.
Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen
Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen.
Maar Ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze
schaapskooi komen. Ook die moet Ik hoeden, ook zij zullen naar mijn stem luisteren: dan zal er één kudde zijn, met één herder.
De vader heeft Mij lief omdat Ik mijn leven geef, om het ook weer terug
te nemen. Niemand neemt mijn leven, Ik geef het zelf.
Ik ben vrij om het te geven en om het weer terug te nemen – dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb gekregen’
Beste Luc, bedankt voor deze prachtige week! Blijf altijd de herder die je bent! Alleluia!